Archief voor Auteur: lddcantua

Lezingen in Lisse en Overveen

.

Acer pseudoplatanus, Gewone esdoorn, uit Planta lignosae…

 

 

 

Op 23 mei om 20:00 geef ik een lezing over botanische ilustraties en natuurdruk in boekhandel Grimbergen in Lisse, Heereweg 237. Toegang gratis

 

 

 

 

 

 


Een lezing over Leven en werken van Mien Ruys geef ik op 8 juni om 20:00 uur op het Landje van de boer in Overveen. Aanmelden via https://landjevandeboer.nl/event/lezing-leo-den-dulck-over-mien-ruys-de-rietveld-van-de-tuinarchitectuur/ . (Iemand heeft mijn achternaam op z’n Bloemendaals opgesjiekt met een extra c; daar gaan we geen gewoonte van maken!)

Artikel in Gartenpraxis mei 2018

In Gartenpraxis 05-2018 staat een artikel van mijn hand over de Tuinen Mien Ruys: Gp_TMR Hoofdredacteur Jonas Reif noemt Mien Ruys in zijn redactioneel commentaar ‘Meine Nummer 1’. Daarmee bedoelt hij dat zij voor hem de belangrijkste vrouwelijke tuinontwerper van de 20ste eeuw is. Als dat meer bezoekers voor de Tuinen in Dedemsvaart betekent zou het een mooi resultaat zijn.

De tulp is een voorbijganger

Tulp uit Osmaans tulpenboek

Tulp uit Osmaans tulpenboek

De Hortus Bulborum in Limmen is op 2 april weer geopend, Keukenhof bijna 2 weken eerder, en in het Haarlemse Frans Hals Museum loopt een tentoonstelling over Tulpomanie. Het artikel van Tijs Goldschmidt, ‘De tulp is een migrant’ (NRC 2 april 2015) over botanische tulpen is dus goed getimed – maar de titel is verwarrend. De aanleiding, het planten van 70.000 tulpen in en rond Diepenheim onder leiding van Beeldens kunstenaar Birthe Leemeijer, stemt vrolijk: meer aandacht voor wilde en weinig gekweekte tulpen. Nu zou je op grond van zijn naam kunnen denken dat een van dee gebruikte tulpen, Tulipa kaufmanniana ‘Ice Stick’, niet echt een wilde tulp is, maar dat is het wel: van de soort kaufmanniana is het een van de vele natuurlijke varianten; deze is geselecteerd in de botanische tuin van Tashkent.

Door de bollen uit te laten strooien bereikte Leemeijer een natuurlijk effect. Naar verluidt werden de soorten uitgekozen op basis van hun geschiktheid voor verwildering – maar dat kan niet anders dan op een teleurstelling uitlopen. Tulpen, of het nu gekweekte of wilde vormen zijn, verwilderen niet in Nederland, op één soort na, de bostulp (Tulipa sylvestris). Die komt als ingeburgerde stinzenplant voor en bloeit vaker niet dan wel. Andere tulpen houden het na één of twee seizoenen voor gezien, tenzij ze precies op de juiste manier worden behandeld: bemesten, opgraven en drogen, warm bewaren en weer op een goede plek planten – voor de meeste tuiniers een te grote opgave, en niet bepaald wat we onder verwilderen verstaan. Gewoon ieder jaar nieuwe kopen!

De vergelijking met migranten gaat dus enigszins mank. De geplante wilde tulpen uit Centraal-Azië gaan hier zeker niet inburgeren als neotulpen. Dat is misschien in Zuid-Frankrijk ooit gebeurd, maar bij ons zijn de bodem en de winters te nat en de zomers te koel. De tulp is een voorbijganger, geen reden dus voor angst bij xenofobe natuurliefhebbers.

Tulpenbed, Jacob Gerritsz. Cuyp, 1638

Tulpenbed, Jacob Gerritsz. Cuyp, 1638

 

XVI. Natuurdruk in Nederland

Dit is de laatste aflevering in de serie Natuurdruk. Over een andere vorm van natuurdruk  is te lezen op de pagina over de Japanse gyotaku (visafdruk).

Esdoornblad. Boven: koperen geëlectrotypeerde drukplaat. Onder: afdruk

Esdoornblad. Boven: koperen geëlectrotypeerde drukplaat. Onder: afdruk

 

Toen in 1858 ingenieurs van de Berlijnse firma J.G. Wagner bij de Haarlemse drukker Johan Enschedé een reliëfgraveermachine kwamen installeren die gebruikt zou worden voor het drukken van bankbiljetten gaven zij eveneens een demonstratie van Auers Naturselbstdruck-procedé. Ze maakten een afdruk van een esdoornblad in lood en kopieerden dat met behulp van electrotypie. De drukplaat en een afdruk ervan zijn bewaard gebleven. Enschedé ging zelf niet verder met natuurdruk.

 

 

 

 

 

J.S. Wilson, autotypie van Grauwe abeel, 1846

J.S. Wilson, autotypie van Grauwe abeel, 1846

 

 

De Meppelse drukker J.S. Wilson had in zijn Autotypie, de natuur zich zelve afbeeldende (1857) kritiek op Auers claim als uitvinder van de Naturselbstdruck. Hij voerde aan dat hij al in 1846 op een tentoonstelling in Kampen voorbeelden van natuurdruk had laten zien, die veel eenvoudiger te maken waren en volgens hem in kwaliteit niet onderdeden. Dit laatste is bepaald niet het geval: Wilson maakte niets anders dan gewone ectypa, afdrukken zoals die een eeuw eerder al door Kniphof en anderen waren vervaardigd.

 

 

J. G. Wilson, afdrukken in goud en brons op glanzend papier

J. G. Wilson, afdrukken in goud en brons op glanzend papier

 

 

Wel maakte Wilson handig gebruik van de methode om afdrukken te maken in koper, zilver of goud. Wanneer hij dat deed op gekleurd, glanzend papier zag het resultaat er zeer aantrekkelijk uit.

 

C.W. Mieling van de Algemeene Landsdrukkerij in Amsterdam bracht in 1877 een album van ectypa uit dat Wilsons techniek gebruikte.

 

 

 

Malva uit Aplherts Flora Culenbergensis

Malva rotundifolia uit Alpherts Flora Culenbergensis

 

 

 

Willem Johan Alpherts Flora Culenbergensis (1863-65) greep terug op de techniek die Jean-Nicolas de la Hyre toepaste in zijn Plantes du Jardin Royal (1715), waarin de natuurdrukken sterk nabewerkt en nauwkeurig ingekleurd werden.

 

 

 

 

Uit het mapje met proefdrukken van Gérard D. van Es

Uit het mapje met proefdrukken van Gérard D. van Es

 

 

 

 

Natuurdrukken volgens de methode-Auer – en in dezelfde hoge kwaliteit – werden gepubliceerd door Gérard D. van Es in het tijdschrift De Volksvlijt (1857). Bijgaande afdrukken stammen uit een mapje met proefdrukken. In zijn onderwerpen volgde hij de voorbeelden van Auer: boomblad, kant, varen, zeewier.

 

 

 

Gérard D. van Es, populiereblad

Gérard D. van Es, populiereblad

gvanes_varen_uitsnede_klein

Gérard D. van Es, varenblad

 

 

gvanes_zeewier_sphaerococcus_cartilagineus_uitsnede_klein

Gérard D. van Es, zeewier Sphaerococcus cartilagineus

 

XV. Von Ettingshausen en Pokorny

Prof. Dr. Constantin Ritter von Ettingshausen was de grootste voorstander van het gebruik van natuurdruk in wetenschappelijke publicaties. Zijn belangstelling gold in de eerste plaats de paleobotanie. Hij propageerde in Über die Entdeckung des Neuholländischen Charakters der Eocenflora Europa’s und über die Anwendung des Naturselbstdruckes zur Förderung der Botanik und Paläontologie (Wenen 1862) de theorie dat de vergelijking van fossiele bladafdrukken met die van eigentijdse planten onweerlegbaar aantoont dat de Europese flora uit het Eoceen (van 56,0 tot 33,9 miljoen jaar geleden) sterke overeenkomsten vertoont met die van het moderne Australië.

Bladskelet van haagbeuk in natuurdruk uit Ettingshausen, Über die Entdeckung...

Bladskelet van haagbeuk in natuurdruk uit Ettingshausen, Über die Entdeckung

Ettingshausen wijst erop dat de botanie meer aandacht zou moeten besteden aan de inwendige bladstructuur van planten, het skelet, om de herkenning van de soorten gemakkelijker te maken. Dergelijke structuren zijn het nauwkeurigst af te beelden door middel van natuurdruk.

Dipsacus fullonum, Grote kaardebol,  uit Physiotypia...

Dipsacus fullonum, Grote kaardebol, uit Physiotypia plantarum austriacarum

Bekender is de serie die hij maakte samen met Alois Pokorny, Physiotypia plantarum austriacarum. Die Gefässpflanzen Österreichs in Naturselbstdruck, mit besonderer Berücksichtigung der Nervation in den Flächenorganen der Pflanzen, gepubliceerd in 5 delen met 100 platen elk (Wenen, 1854-56).

Urtica dioica, Grote brandnetel, uit Physiotypia...

Urtica dioica, Grote brandnetel, uit Physiotypia plantarum austriacarum

Na een aantal experimenten besloot Ettingshausen dat de platen het best in sepia konden worden gedrukt. Hiermee werd het beste contrast tussen de zware en de lichtere gedeelten van de afbeeldingen verkregen. Afdrukken in een enkele kleur was natuurlijk ook veel eenvoudiger en goedkoper. Volgens velen vormt deze publicatie het hoogtepunt van de natuurdruk. Hij betekende echter tevens de neergang van de carrière van Alois Auer, de directeur van de staatsdrukkerij. De in 1864 nieuw aangetreden minister van financiën merkte op dat de Physiotypia niet minder dan 40.000 florijnen had gekost, een bedrag dat nooit kon worden terugverdiend uit de verkoop. Voortaan moest Auer het met veel minder doen. Na zijn dood werd een aanvullende editie met nog eens 500 platen in 1870 gedrukt, niet in Wenen maar bij Von Tempsky in Praag .

Acer pseudoplatanus, Gewone esdoorn, uit Planta lignosae...

Acer pseudoplatanus, Gewone esdoorn, uit Physiotypia plantarum austriacarum

Pokorny schreef ook Plantae lignosae imperii Austriaci. Österreichs Holzpflanzen. Eine auf genaue Berücksichtigung aller im österreichischen Kaiserstaate wild wachsenden oder häufig cultivierten Bäume, Sträucher und Halbsträucher. Het bevat de beschrijving van alle houtige gewassen uit Cisleithanië, dat wil zeggen de huidige staten Oostenrijk, Tsjechië, Polen, Slovenië, Oekraïne, Kroatië en Italië.

Pl. 78 uit Plantae lignosae met verschillende Vliderbloemigen

Pl. 78 uit Österreichs Holzpflanzen met blad van verschillende Vlinderbloemigen

Volgende week in de laatste aflevering van deze serie: Natuurdruk in Nederland

XIV. De proefdrukken van Ludwig von Heufler

Directeur van de Weense staatsdrukkerij Alois Auer vroeg botanicus dr. Leydolt hem enkele herbariumexemplaren van vaatplanten te bezorgen om deze met behulp van natuurdruk af te drukken. Leydolt liet het succesvolle resultaat zien aan zijn collega Ludwig von Heufler. Deze kwam op het idee dat cryptogamen, lagere planten als algen en mossen, door hun structuur waarschijnlijk natuurgetrouwer af te drukken waren, omdat ze in gedroogde toestand meer gelijkenis vertonen met hun levende voorkomen. Bovendien leek het hem goed juist deze categorie planten te gebruiken omdat er veel minder kennis over bestond. Heufler overtuigde Auer van zijn idee en deze vroeg hem de nodige herbariumexemplaren te leveren. Het leek Heufler het gemakkelijkst hem de collectie planten uit het Arpaschdal te geven die hij op dat moment bestudeerde, niet om ze te publiceren, maar louter als experiment. De resulterende zeven platen waren echter dermate geslaagd dat Auer hem vroeg om dan maar snel een artikel erbij te schrijven, want hij wilde ze graag publiceren. Heufler stemde toe, omdat er over de cryptogamen uit die streek op dat moment nog vrijwel niets bekend was. De titel is Specimen florae cryptogamae vallis Arpasch Carpatae Transilvani (Sporenplanten uit de Arpaschvallei in de Karpaten, Transsilvanië, 1853) Alle planten werden, behalve waar andersaangegeven, in het Arpaschdal verzameld.

Heufler_pl1

Pl. 1  Een draadwier, Cladophora insignis, die Heufler vond in de fontein op de Piazza del Campo in Siena

Heufler_pl2

pl. 2  Longkorstmos Sticta pulmonacea

Heufler_pl3

Pl. 3  Zwammen: paardenhaartaailing, Agaricus androsaceus; ‘Rhizomorpha fragilis’, zwamdraden van de Echte honingzwam, Armillaria mellea; ‘Polyporus perennis’, Echte tolzwam, Coltricia perennis. Korstmossen: ‘Cetraria nivalis’, Bleekgeel boerenkoolmos, Flavocetraria nivalis; gleuftakmos Ramalina calicaris; Thamnolia vermicularis; Groot schildmos Parmelia perlata; Boomkorrelloof Sphaerophorus fragilis en S. globiferus

Heufler_pl4

Pl. 4  Mossen: ‘Madotheca platyphylla’, Gewoon pelsmos, Porella platyphylla; ‘Madotheca navicularis’, Porella navicularis; ‘Madotheca laevigata’, Getand pelsmos, Porella arboris-vitae; ‘Jungermannia barbata’, Glanzend tandmos, Barbilophozia barbata; Mastigobryum deflexum; Gymnomitrium coralloides

Op pl. 5 zijn ook mossen afgebeeld: Polytrichum alpinum, P. formosum, Mnium ligulatum (uit Wassergspreng bij Wenen), Sphagnum acutifolium, evenals op pl. 6: Orthotrichum affine (uit Kloster Neuburg bij Wenen), Ceratodon purpureus, Georgia pellucida, Hypnum uncinatum, H. undulatum, Hookeria lucens, Blindia crispula, ‘Meesea triquetra’, Veenlangsteelmos, Meesia triquetra.

Heufler_pl7

Pl. 7 Mossen: Meesia triquetra mnl. en vr.; .. sterrenmos, Mnium ligulatum

XIII. ‘Over het gedrag van een jonge Engelsman genaamd Henry Bradbury’

Na de Great Exhibition van 1851 in Londen was de belangstelling voor het werk van de Weense staatsdrukkerij alom gewekt. Henry Bradbury (1831-1860), oudste zoon van William Bradbury van Bradbury&Evans, uitgever van onder andere Punch en de Daily News, meldde zich in 1852 met een aantal aanbevelingsbrieven in Wenen. Auer ontving hem en wees hem een drukker toe die het Engels enigszins machtig was en hem het werk in alle afdelingen van de Staatsdrukkerij tot in detail uitlegde. Bovendien kreeg hij de bouwtekeningen van verschillende machines en instrumenten waar hij om vroeg, evenals een ruime hoeveelheid voorbeelden van de verschillende soorten drukwerk. Bradbury had Auer verzocht of hij de nieuwe techniek van de Naturselbstdruck uitgebreider mocht bestuderen en toestemming kon krijgen om deze in Engeland te introduceren; de Staatsdrukkerij zou hij hiervoor alle eer geven! Terwijl Bradbury alles wat hij wilde weten in de Staatsdrukkerij opstak bleek hij vooral in het uitgaansleven geïnteresseerd; vroeg Auer op een gegeven moment zelfs om een lening omdat zijn geld op was. Toen hij probeerde een van de voorlieden van de drukkerij met 40 florijnen om te kopen om hem nog meer drukplaten te geven  werd dit aan Auer gerapporteerd en kon hij vertrekken.

bradbury_munt

Na terugkeer in Engeland vroeg Bradbury patent aan op ‘een verbetering’ van het natuurdrukprocédé van de Staatsdrukkerij, die hij ‘phytoglyphie’ noemt. Hij maakt afdrukken van een van de drukplaten die hij uit Wenen had meegekregen en stuurde daarvan eind 1853 zelfs een afdruk aan Auer, met de mededeling dat de natuurdruk niet in Oostenrijk was uitgevonden, maar in Engeland! Uiteraard was Auer woedend over de ongehoorde misdragingen van Bradbury, die neerkwamen op bedrijfsspionage. Daarom beschreef hij de gang van zaken in ‘Das Benehmen eines jungen Engländers namens Henry Bradbury’, een bijlage bij Die Entdeckung des Naturselbstdruckes (1854). Bradbury trok zich aanvankelijk niets van de beschuldigingen van Auer aan; Bradbury&Evans publiceerde eerst (1853) enkele losse prenten onder de noemer ‘Phytoglyphy. The art of printing from nature’. In het volgende jaar verscheen een lijvige publicatie op folioformaat, A Few Leaves Represented by Nature Printing: Showing the Application of the Art for the Reproduction of Botanical and Other Natural Objects (1854, zie hiernaast Mentha aquatica, watermunt). Hiervan werden talrijke presentexemplaren verstuurd, onder andere naar de paus en koning Leopold I van België. De prenten waren fraai ingekleurd, maar botanici waren er niet erg van onder de indruk. Perfectionering zou te kostbaar worden, zodat Bradbury&Evans, een commerciële drukkerij-uitgeverij, naar lucratievere toepassingen omkeek.

natuurdruk_Pteridium_aquilinum_Moore44

Die werden gevonden in The Ferns of Great Britain and Ireland (folio, 1855-56) van Thomas Moore (hiernaast: Pteridium aquilinum, adelaarsvaren). Van hem was eerder een vergelijkbaar werk uitgegeven op octavoformaat, A Popular History of the British Ferns and the Allied Plants, Comprising the Club-mosses, Pepperworts, and Horsetails (1851)  met ingekleurde kopergravures van de bekende illustrator Walter H. Fitch. In deze periode van Pteridomania, varengekte, was er kennelijk belangstelling voor meer.

 

 

Laminaria_-Nature_print[1]

 

Daarna verscheen The Nature-Printed British Seaweeds (1858-60) van W. Johnstone en A. Croall (hiernaast: Laminaria digitata, vingerwier, kelp, kombu) en tegelijkertijd een populaire uitgave van British Ferns op octavoformaat in twee delen – uiteraard met andere, kleinere soorten dan in de eerste foliouitgave. Vanwege de in Engeland heersende vreemdelingenhaat, die de Oostenrijkse regering hoogst onbemind maakte, kon Bradbury zich met twijfelachtige argumenten verweren tegen de beschuldigingen van Auer. Toen hij enkele jaren later in 1859 op dezelfde onbeschaamde wijze een patent van een drukker Joubert in Londen negeerde, overspeelde hij zijn hand en werd de eerdere affaire weer opgerakeld. Een jaar later was het gedaan met Bradbury. Hij pleegde, 29 jaar oud, zelfmoord door het innemen van blauwzuur.

XII. 1854, ‘De ontdekking van de Naturselbstdruck’

KuKafb. 1  De afdeling galvanoplastiek van de k.u.k. Hof- und Staatsdrückerei te Wenen

In de jaren ’30 van de 19de eeuw werd ongeveer tegelijkertijd op verschillende plaatsen in Europa een toepassing van de electrochemie  gevonden die grote gevolgen zou hebben: electrotypie (ook wel: galvanoplastiek). Door een zwakke stroom bij een lage spanning via twee elektroden door een oplossing met kopersulfaat te laten lopen kon men op een geleidend voorwerp aan de kathode (de negatieve electrode) koper laten neerslaan. Deed men dit met een gegraveerde koperen plaat, dan kon op die manier een negatieve kopie worden gemaakt en vervolgens daarvan weer een positieve kopie. Aanvankelijk was dit een traag proces dat 10 weken in beslag nam; door de uitvinding van een sterk verbeterde batterij werd dit eerst gereduceerd tot 2 weken en later nog verder.

Na eerdere pogingen van de Deense goudsmid Kyhl (1833) en verschillende experimenten door Engelsen werd de toepassing voor natuurdruk geperfectioneerd onder leiding van Alois Auer, de energieke directeur van de k.u.k. Hof- und Staatsdrückerei in Wenen. Auer maakte deze drukkerij tot een van de modernste van Europa, die op de Great Exhibition van 1851 in Londen met zijn inzendingen grote indruk maakte. De drukkerij had al geëxperimenteerd met afdrukken van onvervangbare originelen in guttapercha, een soort natuurrubber. Deze konden met electrotypie worden gekopieerd en vermenigvuldigd. Een drukker uit Nottingham had met succes monsters van kant geëlectrotypeerd – een hele praktische toepassing, die navolging kreeg. Auer dacht dat men dat in Wenen beter zou kunnen en probeerde verschillende technieken. Uiteindelijk ontdekte hij, dat een afdruk van een voorwerp dat tussen een stalen en een loden plaat werd gelegd en onder grote druk door een pers werd gehaald de hoogste kwaliteit opleverde.

KuK2afb. 2  Natuurdruk van een vleermuis. Faust; poligraphische-illustrirteZeitschrift für Kunst, 1855 (2)     De afdruk, of zo men wil indruk in het lood kon geëlectrotypeerd worden en leverde, in tegenstelling tot guttapercha, uitstekende schone afdrukken in diepdruk. Auer was zo enthousiast over het resultaat dat hij in 1854  ‘Die Entdeckung des Naturselbstdruckes’ schreef, een publicatie in 4 talen. Aanvankelijk werd op de uitvinding een Oostenrijks patent aangevraagd, maar later werd dit ruimhartig weer ingetrokken vanwege het grote belang voor het drukkersvak. Dat was een ongelukkige zet, zoals later zou blijken. Auer liet in de drie bladen waarmee hij connecties had voorbeelden van natuurdruk verschijnen. Hij maakte eveneens diepe indruk door zijn demonstraties in geleerde genootschappen als de Keizerlijke Akademie van Wetenschappen.

Auer_voorbeelden

afb. 3  Staalkaart van de mogelijkheden van  natuurdruk: kant, agaat, houtschijf, eikenblad, mossen en algen, twee planten, een weefsel, slangehuid en een versteende vissenstaart (de laatste m.b.v. een mal van gutta percha). Faust; poligraphische-illustrirteZeitschrift für Kunst, 1857 (4)

XI. Professorenstrijd in de bewegingsfysiologie

Mechanik der menschlichen Gehwerkzeuge. Eine anatomisch-physiologische Untersuchung van Wilhelm en Eduard Weber (Göttingen 1836) beschrijft onder meer een professorenruzie over aspecten van de bewegingsfysiologie, een wetenschap die destijds hele nieuwe wegen insloeg. Wilhelm was professor in Göttingen, Eduard prosector (anatoom) in Leipzig – hij was er al eerder professor in de fysica. Uit gezamenlijk anatomisch onderzoek probeerden zij nieuwe wetenschappelijke inzichten te verkrijgen over het menselijk bewegingsapparaat en de rol die de gewrichten daarin spelen. Bijzondere aandacht werd besteed aan de hoeken bij minimale en maximale strekking of draaiing tussen de beenderen die in een gewricht bij elkaar komen. Om dit aanschouwelijk te maken maakten de gebroeders Weber preparaten van gewrichten die in hun natuurlijke positie in gips werden gegoten en in de lengterichting doorgezaagd.

Vervolgens werden de preparaten gekopieerd met behulp van stereotypie. Dit was een techniek die in de negentiende eeuw door drukkers werd gebruikt om zetsel te bewaren om dat opnieuw te kunnen gieten en afdrukken. Het werd echter ook toegepast om allerlei mogelijke voorwerpen, van penningen tot meer dan levensgrote beelden, te kopiëren door er een afdruk van te maken in gips, die vervolgens in willekeurige aantallen in metaal kon worden gegoten. Later gebeurde dat met behulp van galvanoplastiek, een onderwerp dat volgende week behandeld wordt. In het boek van de Webers is een grote uitvouwplaat opgenomen waarop de gestereotypeerde gewrichten zijn afgedrukt. ‘Het zijn de meest natuurgetrouwe afbeeldingen die men hebben kan’, merken zij erover op, en dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom natuurdruk in de 19de eeuw nog zo veel vaker zou worden gebruikt.

weber_gewrichten

De meest spectaculaire afbeelding is die waarin ‘wij de leer van de kromming van de wervelkolom, de kanteling van het bekken en de vorm van de tussenwervelschijven hebben proberen te verklaren’. Daartoe werd een volledige romp in gips gegoten, in de lengte middendoor gezaagd, gestereotypeerd en afgedrukt. Zo konden zij aantonen dat op een beroemde afbeelding die door collega Albin was gemaakt de hoek tussen de wervelkolom en het bekken niet minder dan 300 te klein was weergegeven. Dergelijke anatomische kennis vonden de Webers ook nuttig voor kunstenaars die het menselijk lichaam wilden afbeelden. Voor het leger zou deze kennis behulpzaam zijn bij de ‘Marschordnung der Truppen’. De theorie van de Webers wordt nog steeds gezien als de basis van de moderne bewegingsfysiologie.