NATUURDRUK

XVI. Natuurdruk in Nederland

Dit is de laatste aflevering in de serie Natuurdruk. Over een andere vorm van natuurdruk  is te lezen op de pagina over de Japanse gyotaku (visafdruk).

Esdoornblad. Boven: koperen geëlectrotypeerde drukplaat. Onder: afdruk

Esdoornblad. Boven: koperen geëlectrotypeerde drukplaat. Onder: afdruk

 

Toen in 1858 ingenieurs van de Berlijnse firma J.G. Wagner bij de Haarlemse drukker Johan Enschedé een reliëfgraveermachine kwamen installeren die gebruikt zou worden voor het drukken van bankbiljetten gaven zij eveneens een demonstratie van Auers Naturselbstdruck-procedé. Ze maakten een afdruk van een esdoornblad in lood en kopieerden dat met behulp van electrotypie. De drukplaat en een afdruk ervan zijn bewaard gebleven. Enschedé ging zelf niet verder met natuurdruk.

 

 

 

 

 

J.S. Wilson, autotypie van Grauwe abeel, 1846

J.S. Wilson, autotypie van Grauwe abeel, 1846

 

 

De Meppelse drukker J.S. Wilson had in zijn Autotypie, de natuur zich zelve afbeeldende (1857) kritiek op Auers claim als uitvinder van de Naturselbstdruck. Hij voerde aan dat hij al in 1846 op een tentoonstelling in Kampen voorbeelden van natuurdruk had laten zien, die veel eenvoudiger te maken waren en volgens hem in kwaliteit niet onderdeden. Dit laatste is bepaald niet het geval: Wilson maakte niets anders dan gewone ectypa, afdrukken zoals die een eeuw eerder al door Kniphof en anderen waren vervaardigd.

 

 

J. G. Wilson, afdrukken in goud en brons op glanzend papier

J. G. Wilson, afdrukken in goud en brons op glanzend papier

 

 

Wel maakte Wilson handig gebruik van de methode om afdrukken te maken in koper, zilver of goud. Wanneer hij dat deed op gekleurd, glanzend papier zag het resultaat er zeer aantrekkelijk uit.

 

C.W. Mieling van de Algemeene Landsdrukkerij in Amsterdam bracht in 1877 een album van ectypa uit dat Wilsons techniek gebruikte.

 

 

 

Malva uit Aplherts Flora Culenbergensis

Malva rotundifolia uit Alpherts Flora Culenbergensis

 

 

 

Willem Johan Alpherts Flora Culenbergensis (1863-65) greep terug op de techniek die Jean-Nicolas de la Hyre toepaste in zijn Plantes du Jardin Royal (1715), waarin de natuurdrukken sterk nabewerkt en nauwkeurig ingekleurd werden.

 

 

 

 

Uit het mapje met proefdrukken van Gérard D. van Es

Uit het mapje met proefdrukken van Gérard D. van Es

 

 

 

 

Natuurdrukken volgens de methode-Auer – en in dezelfde hoge kwaliteit – werden gepubliceerd door Gérard D. van Es in het tijdschrift De Volksvlijt (1857). Bijgaande afdrukken stammen uit een mapje met proefdrukken. In zijn onderwerpen volgde hij de voorbeelden van Auer: boomblad, kant, varen, zeewier.

 

 

 

Gérard D. van Es, populiereblad

Gérard D. van Es, populiereblad

gvanes_varen_uitsnede_klein

Gérard D. van Es, varenblad

 

 

gvanes_zeewier_sphaerococcus_cartilagineus_uitsnede_klein

Gérard D. van Es, zeewier Sphaerococcus cartilagineus

 

XV. Von Ettingshausen en Pokorny

Prof. Dr. Constantin Ritter von Ettingshausen was de grootste voorstander van het gebruik van natuurdruk in wetenschappelijke publicaties. Zijn belangstelling gold in de eerste plaats de paleobotanie. Hij propageerde in Über die Entdeckung des Neuholländischen Charakters der Eocenflora Europa’s und über die Anwendung des Naturselbstdruckes zur Förderung der Botanik und Paläontologie (Wenen 1862) de theorie dat de vergelijking van fossiele bladafdrukken met die van eigentijdse planten onweerlegbaar aantoont dat de Europese flora uit het Eoceen (van 56,0 tot 33,9 miljoen jaar geleden) sterke overeenkomsten vertoont met die van het moderne Australië.

Bladskelet van haagbeuk in natuurdruk uit Ettingshausen, Über die Entdeckung...

Bladskelet van haagbeuk in natuurdruk uit Ettingshausen, Über die Entdeckung

Ettingshausen wijst erop dat de botanie meer aandacht zou moeten besteden aan de inwendige bladstructuur van planten, het skelet, om de herkenning van de soorten gemakkelijker te maken. Dergelijke structuren zijn het nauwkeurigst af te beelden door middel van natuurdruk.

Dipsacus fullonum, Grote kaardebol,  uit Physiotypia...

Dipsacus fullonum, Grote kaardebol, uit Physiotypia plantarum austriacarum

Bekender is de serie die hij maakte samen met Alois Pokorny, Physiotypia plantarum austriacarum. Die Gefässpflanzen Österreichs in Naturselbstdruck, mit besonderer Berücksichtigung der Nervation in den Flächenorganen der Pflanzen, gepubliceerd in 5 delen met 100 platen elk (Wenen, 1854-56).

Urtica dioica, Grote brandnetel, uit Physiotypia...

Urtica dioica, Grote brandnetel, uit Physiotypia plantarum austriacarum

Na een aantal experimenten besloot Ettingshausen dat de platen het best in sepia konden worden gedrukt. Hiermee werd het beste contrast tussen de zware en de lichtere gedeelten van de afbeeldingen verkregen. Afdrukken in een enkele kleur was natuurlijk ook veel eenvoudiger en goedkoper. Volgens velen vormt deze publicatie het hoogtepunt van de natuurdruk. Hij betekende echter tevens de neergang van de carrière van Alois Auer, de directeur van de staatsdrukkerij. De in 1864 nieuw aangetreden minister van financiën merkte op dat de Physiotypia niet minder dan 40.000 florijnen had gekost, een bedrag dat nooit kon worden terugverdiend uit de verkoop. Voortaan moest Auer het met veel minder doen. Na zijn dood werd een aanvullende editie met nog eens 500 platen in 1870 gedrukt, niet in Wenen maar bij Von Tempsky in Praag .

Acer pseudoplatanus, Gewone esdoorn, uit Planta lignosae...

Acer pseudoplatanus, Gewone esdoorn, uit Physiotypia plantarum austriacarum

Pokorny schreef ook Plantae lignosae imperii Austriaci. Österreichs Holzpflanzen. Eine auf genaue Berücksichtigung aller im österreichischen Kaiserstaate wild wachsenden oder häufig cultivierten Bäume, Sträucher und Halbsträucher. Het bevat de beschrijving van alle houtige gewassen uit Cisleithanië, dat wil zeggen de huidige staten Oostenrijk, Tsjechië, Polen, Slovenië, Oekraïne, Kroatië en Italië.

Pl. 78 uit Plantae lignosae met verschillende Vliderbloemigen

Pl. 78 uit Österreichs Holzpflanzen met blad van verschillende Vlinderbloemigen

Volgende week in de laatste aflevering van deze serie: Natuurdruk in Nederland

XIV. De proefdrukken van Ludwig von Heufler

Directeur van de Weense staatsdrukkerij Alois Auer vroeg botanicus dr. Leydolt hem enkele herbariumexemplaren van vaatplanten te bezorgen om deze met behulp van natuurdruk af te drukken. Leydolt liet het succesvolle resultaat zien aan zijn collega Ludwig von Heufler. Deze kwam op het idee dat cryptogamen, lagere planten als algen en mossen, door hun structuur waarschijnlijk natuurgetrouwer af te drukken waren, omdat ze in gedroogde toestand meer gelijkenis vertonen met hun levende voorkomen. Bovendien leek het hem goed juist deze categorie planten te gebruiken omdat er veel minder kennis over bestond. Heufler overtuigde Auer van zijn idee en deze vroeg hem de nodige herbariumexemplaren te leveren. Het leek Heufler het gemakkelijkst hem de collectie planten uit het Arpaschdal te geven die hij op dat moment bestudeerde, niet om ze te publiceren, maar louter als experiment. De resulterende zeven platen waren echter dermate geslaagd dat Auer hem vroeg om dan maar snel een artikel erbij te schrijven, want hij wilde ze graag publiceren. Heufler stemde toe, omdat er over de cryptogamen uit die streek op dat moment nog vrijwel niets bekend was. De titel is Specimen florae cryptogamae vallis Arpasch Carpatae Transilvani (Sporenplanten uit de Arpaschvallei in de Karpaten, Transsilvanië, 1853) Alle planten werden, behalve waar andersaangegeven, in het Arpaschdal verzameld.

Heufler_pl1

Pl. 1  Een draadwier, Cladophora insignis, die Heufler vond in de fontein op de Piazza del Campo in Siena

Heufler_pl2

pl. 2  Longkorstmos Sticta pulmonacea

Heufler_pl3

Pl. 3  Zwammen: paardenhaartaailing, Agaricus androsaceus; ‘Rhizomorpha fragilis’, zwamdraden van de Echte honingzwam, Armillaria mellea; ‘Polyporus perennis’, Echte tolzwam, Coltricia perennis. Korstmossen: ‘Cetraria nivalis’, Bleekgeel boerenkoolmos, Flavocetraria nivalis; gleuftakmos Ramalina calicaris; Thamnolia vermicularis; Groot schildmos Parmelia perlata; Boomkorrelloof Sphaerophorus fragilis en S. globiferus

Heufler_pl4

Pl. 4  Mossen: ‘Madotheca platyphylla’, Gewoon pelsmos, Porella platyphylla; ‘Madotheca navicularis’, Porella navicularis; ‘Madotheca laevigata’, Getand pelsmos, Porella arboris-vitae; ‘Jungermannia barbata’, Glanzend tandmos, Barbilophozia barbata; Mastigobryum deflexum; Gymnomitrium coralloides

Op pl. 5 zijn ook mossen afgebeeld: Polytrichum alpinum, P. formosum, Mnium ligulatum (uit Wassergspreng bij Wenen), Sphagnum acutifolium, evenals op pl. 6: Orthotrichum affine (uit Kloster Neuburg bij Wenen), Ceratodon purpureus, Georgia pellucida, Hypnum uncinatum, H. undulatum, Hookeria lucens, Blindia crispula, ‘Meesea triquetra’, Veenlangsteelmos, Meesia triquetra.

Heufler_pl7

Pl. 7 Mossen: Meesia triquetra mnl. en vr.; .. sterrenmos, Mnium ligulatum

XIII. ‘Over het gedrag van een jonge Engelsman genaamd Henry Bradbury’

Na de Great Exhibition van 1851 in Londen was de belangstelling voor het werk van de Weense staatsdrukkerij alom gewekt. Henry Bradbury (1831-1860), oudste zoon van William Bradbury van Bradbury&Evans, uitgever van onder andere Punch en de Daily News, meldde zich in 1852 met een aantal aanbevelingsbrieven in Wenen. Auer ontving hem en wees hem een drukker toe die het Engels enigszins machtig was en hem het werk in alle afdelingen van de Staatsdrukkerij tot in detail uitlegde. Bovendien kreeg hij de bouwtekeningen van verschillende machines en instrumenten waar hij om vroeg, evenals een ruime hoeveelheid voorbeelden van de verschillende soorten drukwerk. Bradbury had Auer verzocht of hij de nieuwe techniek van de Naturselbstdruck uitgebreider mocht bestuderen en toestemming kon krijgen om deze in Engeland te introduceren; de Staatsdrukkerij zou hij hiervoor alle eer geven! Terwijl Bradbury alles wat hij wilde weten in de Staatsdrukkerij opstak bleek hij vooral in het uitgaansleven geïnteresseerd; vroeg Auer op een gegeven moment zelfs om een lening omdat zijn geld op was. Toen hij probeerde een van de voorlieden van de drukkerij met 40 florijnen om te kopen om hem nog meer drukplaten te geven  werd dit aan Auer gerapporteerd en kon hij vertrekken.

bradbury_munt

Na terugkeer in Engeland vroeg Bradbury patent aan op ‘een verbetering’ van het natuurdrukprocédé van de Staatsdrukkerij, die hij ‘phytoglyphie’ noemt. Hij maakt afdrukken van een van de drukplaten die hij uit Wenen had meegekregen en stuurde daarvan eind 1853 zelfs een afdruk aan Auer, met de mededeling dat de natuurdruk niet in Oostenrijk was uitgevonden, maar in Engeland! Uiteraard was Auer woedend over de ongehoorde misdragingen van Bradbury, die neerkwamen op bedrijfsspionage. Daarom beschreef hij de gang van zaken in ‘Das Benehmen eines jungen Engländers namens Henry Bradbury’, een bijlage bij Die Entdeckung des Naturselbstdruckes (1854). Bradbury trok zich aanvankelijk niets van de beschuldigingen van Auer aan; Bradbury&Evans publiceerde eerst (1853) enkele losse prenten onder de noemer ‘Phytoglyphy. The art of printing from nature’. In het volgende jaar verscheen een lijvige publicatie op folioformaat, A Few Leaves Represented by Nature Printing: Showing the Application of the Art for the Reproduction of Botanical and Other Natural Objects (1854, zie hiernaast Mentha aquatica, watermunt). Hiervan werden talrijke presentexemplaren verstuurd, onder andere naar de paus en koning Leopold I van België. De prenten waren fraai ingekleurd, maar botanici waren er niet erg van onder de indruk. Perfectionering zou te kostbaar worden, zodat Bradbury&Evans, een commerciële drukkerij-uitgeverij, naar lucratievere toepassingen omkeek.

natuurdruk_Pteridium_aquilinum_Moore44

Die werden gevonden in The Ferns of Great Britain and Ireland (folio, 1855-56) van Thomas Moore (hiernaast: Pteridium aquilinum, adelaarsvaren). Van hem was eerder een vergelijkbaar werk uitgegeven op octavoformaat, A Popular History of the British Ferns and the Allied Plants, Comprising the Club-mosses, Pepperworts, and Horsetails (1851)  met ingekleurde kopergravures van de bekende illustrator Walter H. Fitch. In deze periode van Pteridomania, varengekte, was er kennelijk belangstelling voor meer.

 

 

Laminaria_-Nature_print[1]

 

Daarna verscheen The Nature-Printed British Seaweeds (1858-60) van W. Johnstone en A. Croall (hiernaast: Laminaria digitata, vingerwier, kelp, kombu) en tegelijkertijd een populaire uitgave van British Ferns op octavoformaat in twee delen – uiteraard met andere, kleinere soorten dan in de eerste foliouitgave. Vanwege de in Engeland heersende vreemdelingenhaat, die de Oostenrijkse regering hoogst onbemind maakte, kon Bradbury zich met twijfelachtige argumenten verweren tegen de beschuldigingen van Auer. Toen hij enkele jaren later in 1859 op dezelfde onbeschaamde wijze een patent van een drukker Joubert in Londen negeerde, overspeelde hij zijn hand en werd de eerdere affaire weer opgerakeld. Een jaar later was het gedaan met Bradbury. Hij pleegde, 29 jaar oud, zelfmoord door het innemen van blauwzuur.

XII. 1854, ‘De ontdekking van de Naturselbstdruck’

KuKafb. 1  De afdeling galvanoplastiek van de k.u.k. Hof- und Staatsdrückerei te Wenen

In de jaren ’30 van de 19de eeuw werd ongeveer tegelijkertijd op verschillende plaatsen in Europa een toepassing van de electrochemie  gevonden die grote gevolgen zou hebben: electrotypie (ook wel: galvanoplastiek). Door een zwakke stroom bij een lage spanning via twee elektroden door een oplossing met kopersulfaat te laten lopen kon men op een geleidend voorwerp aan de kathode (de negatieve electrode) koper laten neerslaan. Deed men dit met een gegraveerde koperen plaat, dan kon op die manier een negatieve kopie worden gemaakt en vervolgens daarvan weer een positieve kopie. Aanvankelijk was dit een traag proces dat 10 weken in beslag nam; door de uitvinding van een sterk verbeterde batterij werd dit eerst gereduceerd tot 2 weken en later nog verder.

Na eerdere pogingen van de Deense goudsmid Kyhl (1833) en verschillende experimenten door Engelsen werd de toepassing voor natuurdruk geperfectioneerd onder leiding van Alois Auer, de energieke directeur van de k.u.k. Hof- und Staatsdrückerei in Wenen. Auer maakte deze drukkerij tot een van de modernste van Europa, die op de Great Exhibition van 1851 in Londen met zijn inzendingen grote indruk maakte. De drukkerij had al geëxperimenteerd met afdrukken van onvervangbare originelen in guttapercha, een soort natuurrubber. Deze konden met electrotypie worden gekopieerd en vermenigvuldigd. Een drukker uit Nottingham had met succes monsters van kant geëlectrotypeerd – een hele praktische toepassing, die navolging kreeg. Auer dacht dat men dat in Wenen beter zou kunnen en probeerde verschillende technieken. Uiteindelijk ontdekte hij, dat een afdruk van een voorwerp dat tussen een stalen en een loden plaat werd gelegd en onder grote druk door een pers werd gehaald de hoogste kwaliteit opleverde.

KuK2afb. 2  Natuurdruk van een vleermuis. Faust; poligraphische-illustrirteZeitschrift für Kunst, 1855 (2)     De afdruk, of zo men wil indruk in het lood kon geëlectrotypeerd worden en leverde, in tegenstelling tot guttapercha, uitstekende schone afdrukken in diepdruk. Auer was zo enthousiast over het resultaat dat hij in 1854  ‘Die Entdeckung des Naturselbstdruckes’ schreef, een publicatie in 4 talen. Aanvankelijk werd op de uitvinding een Oostenrijks patent aangevraagd, maar later werd dit ruimhartig weer ingetrokken vanwege het grote belang voor het drukkersvak. Dat was een ongelukkige zet, zoals later zou blijken. Auer liet in de drie bladen waarmee hij connecties had voorbeelden van natuurdruk verschijnen. Hij maakte eveneens diepe indruk door zijn demonstraties in geleerde genootschappen als de Keizerlijke Akademie van Wetenschappen.

Auer_voorbeelden

afb. 3  Staalkaart van de mogelijkheden van  natuurdruk: kant, agaat, houtschijf, eikenblad, mossen en algen, twee planten, een weefsel, slangehuid en een versteende vissenstaart (de laatste m.b.v. een mal van gutta percha). Faust; poligraphische-illustrirteZeitschrift für Kunst, 1857 (4)

XI. Professorenstrijd in de bewegingsfysiologie

Mechanik der menschlichen Gehwerkzeuge. Eine anatomisch-physiologische Untersuchung van Wilhelm en Eduard Weber (Göttingen 1836) beschrijft onder meer een professorenruzie over aspecten van de bewegingsfysiologie, een wetenschap die destijds hele nieuwe wegen insloeg. Wilhelm was professor in Göttingen, Eduard prosector (anatoom) in Leipzig – hij was er al eerder professor in de fysica. Uit gezamenlijk anatomisch onderzoek probeerden zij nieuwe wetenschappelijke inzichten te verkrijgen over het menselijk bewegingsapparaat en de rol die de gewrichten daarin spelen. Bijzondere aandacht werd besteed aan de hoeken bij minimale en maximale strekking of draaiing tussen de beenderen die in een gewricht bij elkaar komen. Om dit aanschouwelijk te maken maakten de gebroeders Weber preparaten van gewrichten die in hun natuurlijke positie in gips werden gegoten en in de lengterichting doorgezaagd.

Vervolgens werden de preparaten gekopieerd met behulp van stereotypie. Dit was een techniek die in de negentiende eeuw door drukkers werd gebruikt om zetsel te bewaren om dat opnieuw te kunnen gieten en afdrukken. Het werd echter ook toegepast om allerlei mogelijke voorwerpen, van penningen tot meer dan levensgrote beelden, te kopiëren door er een afdruk van te maken in gips, die vervolgens in willekeurige aantallen in metaal kon worden gegoten. Later gebeurde dat met behulp van galvanoplastiek, een onderwerp dat volgende week behandeld wordt. In het boek van de Webers is een grote uitvouwplaat opgenomen waarop de gestereotypeerde gewrichten zijn afgedrukt. ‘Het zijn de meest natuurgetrouwe afbeeldingen die men hebben kan’, merken zij erover op, en dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom natuurdruk in de 19de eeuw nog zo veel vaker zou worden gebruikt.

weber_gewrichten

De meest spectaculaire afbeelding is die waarin ‘wij de leer van de kromming van de wervelkolom, de kanteling van het bekken en de vorm van de tussenwervelschijven hebben proberen te verklaren’. Daartoe werd een volledige romp in gips gegoten, in de lengte middendoor gezaagd, gestereotypeerd en afgedrukt. Zo konden zij aantonen dat op een beroemde afbeelding die door collega Albin was gemaakt de hoek tussen de wervelkolom en het bekken niet minder dan 300 te klein was weergegeven. Dergelijke anatomische kennis vonden de Webers ook nuttig voor kunstenaars die het menselijk lichaam wilden afbeelden. Voor het leger zou deze kennis behulpzaam zijn bij de ‘Marschordnung der Truppen’. De theorie van de Webers wordt nog steeds gezien als de basis van de moderne bewegingsfysiologie.

 

X. De ijzermeteoriet van Elbogen

In Carl von Schreiber’s Beyträge zur Geschichte und Kenntniß meteorischer Steine- und Metall-Massen (1820) is een rechtstreekse afdruk opgenomen van een doorgezaagde ijzermeteoriet. Het zaagvlak werd gepolijst en licht geëtst, zodat de kristalstructuur beter zichtbaar werd, met het typerende ‘Widmannstätten patroon’ – dat door drukker Alois von Widmanstätten aan de hand van dit voorbeeld voor het eerst werd beschreven. De meteoriet had oorspronkelijk de vorm van een paardenhoofd en woog ca. 107 kg. Hij heeft een octahedrietstructuur, mat ca. 50x30x20 cm en bestaat hoofdzakelijk uit een nikkel-ijzer legering.

ijzermeteoriet

Natuurdruk van het gepolijste en licht geëtste zaagvlak van de Elbogen meteoriet [dubbelklik op de afbeeldingen voor een vergroting]

Het ging hierbij niet om zomaar een meteoriet, maar om die van Elbogen, beroemd omdat hij als een van de eerste geregistreerde vondsten geldt, en berucht vanwege zijn voorgeschiedenis. Rond 1400 AD moet hij neergekomen zijn in de buurt van Loket, het kasteel van de burggraaf van Elbogen, dat niet ver van Karlovy Var (Karlsbad) in Bohemen, Tsjechië ligt. De wrede burggraaf, waarschijnlijk Puta von Illburk (what’s in a name), werd vervloekt door een oude vrouw, door de bliksem getroffen en in een brok ijzer veranderd. In een andere versie van het verhaal gebeurde dat laatste pas na diens dood. De meteoriet werd voor de zekerheid in de boeien geslagen en vastgeketend inde kerker van het kasteel. Dit gebeurde omdat men bang was dat hij anders lichter zou worden en zelfs als hij in de put op de binnenhof werd gegooid toch weer zou verschijnen.

Tijdens de Dertigjarige oorlog (1618-1648) besloot de Duitse generaal graaf Johann von Werth eens te kijken of dat inderdaad zo was, en hij liet de steen in de put gooien. Daar bleef hij liggen tot de put in 1670 werd drooggelegd en men de steen eruit haalde en in het kasteel bracht. In 1742 gooiden de Fransen hem weer in de put, waar hij bleef liggen tot hij in 1776 werd herontdekt.

In 1811 werd een stukje ervan onderzocht en herkend als een meteoriet. Later werd hij in twee stukken gezaagd; het grootste deel van 79 kg ging naar het Natuurhistorisch Museum in Wenen, het kleinste (14 kg) bevindt zich in het stadhuis van Loket. Waar de overige 14 kg zijn gebleven vertelt het verhaal niet…

Leitha meteoriet

Natuurdruk met een tweede kleur uit Beyträge van een meteoriet uit het Leitha-gebergte (tussen Niederösterreich en Burgenland)

IX. Natuurdruk in de USA: Pastorius, Breintnall en Franklin

pastorius

M. Pexenfelder S.J., ‘Apparatus eruditionis’. In de marges van zijn exemplaar voegde Francis Pastorius natuurdrukken van bladeren en bloemen toe. [dubbelklik op de afbeeldingen voor een vergroting]

Vanuit Duitsland kwam de natuurdruk ook in de Verenigde Staten terecht. Waarschijnlijk was het Francis Daniel Pastorius, een Duitse advocaat, die de techniek in de VS introduceerde. Op verzoek van een groep Duitse emigranten stichtte hij in 1683 Germantown (bij Philadelphia) in Pennsylvania. Dit was de thuishaven van de eerste ‘Pennsylvania Dutch’. Pastorius was in 1688 de allereerste in de VS die een petitie schreef voor de afschaffing van de slavernij. Zelf maakte hij natuurdrukken in de marge van zijn eigen exemplaar van ‘Apparatus eruditionis’(1670). Dit was het Latijnse leerboek dat werd geschreven door Michael Pexenfelder S.J. in de vorm van een driedelige encyclopedie. Deze was bedoeld om studenten via de directe methode Latijn te leren. In de tekst van het hoofdstuk dat gaat over typografie voegde Pastorius onderaan in de marge een opmerking toe over de mogelijkheid om planten af te drukken. De rest van de marges van de twee opengeslagen pagina’s vulde hij met tweezijdige afdrukken van een negental planten en bloemen. In de resterende ruimte op de tweede pagina drukte hij nog vier bladeren af.

breintnall

Twee dubbele pagina’s uit een voorbeeldboek met natuurdruk van Joseph Breintnall.

Een jongere tijdgenoot van Pastorius, Joseph Breintnall, leerde waarschijnlijk door hem de natuurdruk kennen. Hij was de eerste secretaris van de Library Company of Philadelphia, die in 1731 door drukker, uitvinder en politicus Benjamin Franklin samen met anderen werd opgericht. Voor deze vereniging maakte Breintnall onder meer een aantal voorbeeldboeken (1731-42) met natuurdruk, bestemd voor botanici.

breintnall_rattlesnake_herb

Natuurdruk van een blad van Solidago canadensis in de Poor Richard’s Almanack van 1737

In 1737 schreef Breintnall een artikel over ‘Rattlesnake Herb’ voor Benjamin Franklin’s ‘Poor Richard’s Almanack’ (pag. 4-5) van 1737. Dit was een zeer succesvolle publicatie met een oplage van 10.000 exemplaren. Voor de afbeelding van een blad van deze plant maakte Franklin een cliché door een blad dat op een dun weefsel werd geplakt af te drukken in (waarschijnlijk) een gipsmengsel, waarvan eerst een contramal en vervolgens een afgietsel in lettermetaal werd gemaakt. Volgens de tekst betrof het ‘een soort guldenroede’; op de afbeelding afgaand is het Solidago canadensis, die lijkt op de Europese soort S. virgaurea, Echte guldenroede. Het is zeker niet Calathea crotalifera, zoals R. Cave in Impressions of Nature vermoedde.

Benjamin_Franklin_nature_printed_55_dollar_back_1779

Biljet van $ 55 uit 1779 van de staat Pennsylvania met natuurdruk van bladeren

De techniek die voor deze eerste natuurdruk in grote oplagen door Franklin werd ontwikkeld leidde ertoe dat hij in 1739 voor Pennsylvania de eerste bankbiljetten met bladafdrukken ding drukken: volgens hem een perfecte manier om vervalsingen te voorkomen. Deze druktechniek werd zeker tot in 1779 toegepast. Op de afbeelding is rechts een salieblad te zien, het blad links is niet zo gauw thuis te brengen. De afdruk van het onderliggende weefsel is duidelijk zichtbaar.

 

VIII. Ectypa plantarum. Hoppe en Martius

hoppe_ectypa_helleborus _nigerApotheker David Heinrich Hoppe (1716-1846) richtte samen met zijn collega Ernst Wilhelm Martius de oudste nog bestaande botanische vereniging op, de Regensburger Botanische Gesellschaft. Hoppe publiceerde Ectypa plantarum ratisbonensium oder Abdrücke derjenigen Pflanzen, welche um Regensburg wild wachsen (Regensburg, 1787-1793).

Afgebeeld is hier Helleborus niger, kerstroos (klik op de afbeeldingen voor een vergroting), waar hij als beschrijving bijvoegde: ‘Wahre schwarze Nieswurz. Der Schaft ist gewöhnlich nackt, zweiblütig. Die Blätter sind fußförmig. Noch habe ich diese Pflanze nicht wild gefunden, aber sie wird in Gärten gezogen, und ist in Bayern einheimisch, blühet in den Wintermonaten. Die Wurzel (Rad. Hellebori nigri) ist offizinell’. [dubbelklik op de afbeeldingen voor een vergroting]

Martius_titelpagina

Martius (1756-1849) beschreef zelf in Neueste Anweisung, Pflanzen nach dem Leben abzudrücken (Wezlar 1784) zijn verfijning van de druktechniek: Men gaat uit van goed gekozen planten of delen daarvan; deze worden gereinigd, dikke delen platter gemaakt door er een deel af te snijden; vervolgens gedroogd; zodat deze voor een gewoon herbarium of voor het afdrukken geschikt zijn. Met een leren drukkersbal wordt koperdrukinkt op een gepolijste koperplaat in een dunne laag gelijkmatig aangebracht. De plant wordt met de af te drukken kant op de beïnkte koperplaat gelegd, daarop (evenals onder de koperplaat) een dikke laag vloeipapier en daar weer bovenop een stevig en glad stuk hout. Dit gaat onder de pers en wordt onder hoge druk gebracht. De plant wordt aan het uiteinde van de steel voorzichtig van de koperplaat gelicht en met de beïnkte zijde op een schoon vel papier gelegd. Dit wordt weer tussen het vloeipapier en de twee planken gelegd en onder druk gebracht. Nadat de plant is verwijderd ‘zal op deze plaats een afdruk verschijnen, die in fijnheid de fraaiste kopergravure overtreft’. De hele procedure kan bij een stevige plant met hetzelfde exemplaareen aantal malen worden herhaald, en de volgende afdrukken zullen alleen maar beter worden, omdat de zachte plantendelen de inkt steeds beter zullen opnemen. Bij zachte planten als kervel mag men echter blij zijn als men één goed afdruk van hetzelfde exemplaar kan maken. Zeldzame planten die men ook nog (met de andere kant naar boven) in een herbarium wil bewaren kan men het beste maar één keer afdrukken. Deze exemplaren ‘zullen nooit door wormen worden aangetast’.

martius_agrimkopie

Martius voegde drie voorbeelden toe, waarvan bijgaande afbeelding van Agrimonia eupatoria, Gewone agrimonie, er een is.

VII. Plantes de la jardin royale

Welriekende agrimonie, Agrimonia procera, in Jean Nicolas de la Hire's Planters de la jardin royale

Welriekende agrimonie, Agrimonia procera, in Jean Nicolas de la Hire’s Plantes du Jardin Royal

[dubbelklik op de afbeelding voor een vergroting]

Plantes du Jardin Royal

‘Plantes du Jardin Royal’ is het onvoltooide werk dat Jean Nicolas de la Hire (/Hyre, 1685-1727), naliet. Hij was arts en botanicus, woonde in Parijs en was lid van de Académie des Sciences. De afbeeldingen in het boek maakte hij volgens een door hemzelf bedachte methode. De botanische en de artistieke kwaliteit is hoog, de detaillering in de weergave is groot, maar het is moeilijk te zien welk aandeel de gedroogde plant bij de vervaardiging ervan heeft gespeeld. Er wordt verondersteld dat deze alleen voor het maken van een blinddruk in het papier is gebruikt, waarna de eigenlijke afbeelding is ingetekend. De la Hire beschreef zijn techniek nergens en nam deze mee in zijn graf.