Archief per Maand: februari 2015

XII. 1854, ‘De ontdekking van de Naturselbstdruck’

KuKafb. 1  De afdeling galvanoplastiek van de k.u.k. Hof- und Staatsdrückerei te Wenen

In de jaren ’30 van de 19de eeuw werd ongeveer tegelijkertijd op verschillende plaatsen in Europa een toepassing van de electrochemie  gevonden die grote gevolgen zou hebben: electrotypie (ook wel: galvanoplastiek). Door een zwakke stroom bij een lage spanning via twee elektroden door een oplossing met kopersulfaat te laten lopen kon men op een geleidend voorwerp aan de kathode (de negatieve electrode) koper laten neerslaan. Deed men dit met een gegraveerde koperen plaat, dan kon op die manier een negatieve kopie worden gemaakt en vervolgens daarvan weer een positieve kopie. Aanvankelijk was dit een traag proces dat 10 weken in beslag nam; door de uitvinding van een sterk verbeterde batterij werd dit eerst gereduceerd tot 2 weken en later nog verder.

Na eerdere pogingen van de Deense goudsmid Kyhl (1833) en verschillende experimenten door Engelsen werd de toepassing voor natuurdruk geperfectioneerd onder leiding van Alois Auer, de energieke directeur van de k.u.k. Hof- und Staatsdrückerei in Wenen. Auer maakte deze drukkerij tot een van de modernste van Europa, die op de Great Exhibition van 1851 in Londen met zijn inzendingen grote indruk maakte. De drukkerij had al geëxperimenteerd met afdrukken van onvervangbare originelen in guttapercha, een soort natuurrubber. Deze konden met electrotypie worden gekopieerd en vermenigvuldigd. Een drukker uit Nottingham had met succes monsters van kant geëlectrotypeerd – een hele praktische toepassing, die navolging kreeg. Auer dacht dat men dat in Wenen beter zou kunnen en probeerde verschillende technieken. Uiteindelijk ontdekte hij, dat een afdruk van een voorwerp dat tussen een stalen en een loden plaat werd gelegd en onder grote druk door een pers werd gehaald de hoogste kwaliteit opleverde.

KuK2afb. 2  Natuurdruk van een vleermuis. Faust; poligraphische-illustrirteZeitschrift für Kunst, 1855 (2)     De afdruk, of zo men wil indruk in het lood kon geëlectrotypeerd worden en leverde, in tegenstelling tot guttapercha, uitstekende schone afdrukken in diepdruk. Auer was zo enthousiast over het resultaat dat hij in 1854  ‘Die Entdeckung des Naturselbstdruckes’ schreef, een publicatie in 4 talen. Aanvankelijk werd op de uitvinding een Oostenrijks patent aangevraagd, maar later werd dit ruimhartig weer ingetrokken vanwege het grote belang voor het drukkersvak. Dat was een ongelukkige zet, zoals later zou blijken. Auer liet in de drie bladen waarmee hij connecties had voorbeelden van natuurdruk verschijnen. Hij maakte eveneens diepe indruk door zijn demonstraties in geleerde genootschappen als de Keizerlijke Akademie van Wetenschappen.

Auer_voorbeelden

afb. 3  Staalkaart van de mogelijkheden van  natuurdruk: kant, agaat, houtschijf, eikenblad, mossen en algen, twee planten, een weefsel, slangehuid en een versteende vissenstaart (de laatste m.b.v. een mal van gutta percha). Faust; poligraphische-illustrirteZeitschrift für Kunst, 1857 (4)

XI. Professorenstrijd in de bewegingsfysiologie

Mechanik der menschlichen Gehwerkzeuge. Eine anatomisch-physiologische Untersuchung van Wilhelm en Eduard Weber (Göttingen 1836) beschrijft onder meer een professorenruzie over aspecten van de bewegingsfysiologie, een wetenschap die destijds hele nieuwe wegen insloeg. Wilhelm was professor in Göttingen, Eduard prosector (anatoom) in Leipzig – hij was er al eerder professor in de fysica. Uit gezamenlijk anatomisch onderzoek probeerden zij nieuwe wetenschappelijke inzichten te verkrijgen over het menselijk bewegingsapparaat en de rol die de gewrichten daarin spelen. Bijzondere aandacht werd besteed aan de hoeken bij minimale en maximale strekking of draaiing tussen de beenderen die in een gewricht bij elkaar komen. Om dit aanschouwelijk te maken maakten de gebroeders Weber preparaten van gewrichten die in hun natuurlijke positie in gips werden gegoten en in de lengterichting doorgezaagd.

Vervolgens werden de preparaten gekopieerd met behulp van stereotypie. Dit was een techniek die in de negentiende eeuw door drukkers werd gebruikt om zetsel te bewaren om dat opnieuw te kunnen gieten en afdrukken. Het werd echter ook toegepast om allerlei mogelijke voorwerpen, van penningen tot meer dan levensgrote beelden, te kopiëren door er een afdruk van te maken in gips, die vervolgens in willekeurige aantallen in metaal kon worden gegoten. Later gebeurde dat met behulp van galvanoplastiek, een onderwerp dat volgende week behandeld wordt. In het boek van de Webers is een grote uitvouwplaat opgenomen waarop de gestereotypeerde gewrichten zijn afgedrukt. ‘Het zijn de meest natuurgetrouwe afbeeldingen die men hebben kan’, merken zij erover op, en dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom natuurdruk in de 19de eeuw nog zo veel vaker zou worden gebruikt.

weber_gewrichten

De meest spectaculaire afbeelding is die waarin ‘wij de leer van de kromming van de wervelkolom, de kanteling van het bekken en de vorm van de tussenwervelschijven hebben proberen te verklaren’. Daartoe werd een volledige romp in gips gegoten, in de lengte middendoor gezaagd, gestereotypeerd en afgedrukt. Zo konden zij aantonen dat op een beroemde afbeelding die door collega Albin was gemaakt de hoek tussen de wervelkolom en het bekken niet minder dan 300 te klein was weergegeven. Dergelijke anatomische kennis vonden de Webers ook nuttig voor kunstenaars die het menselijk lichaam wilden afbeelden. Voor het leger zou deze kennis behulpzaam zijn bij de ‘Marschordnung der Truppen’. De theorie van de Webers wordt nog steeds gezien als de basis van de moderne bewegingsfysiologie.

 

X. De ijzermeteoriet van Elbogen

In Carl von Schreiber’s Beyträge zur Geschichte und Kenntniß meteorischer Steine- und Metall-Massen (1820) is een rechtstreekse afdruk opgenomen van een doorgezaagde ijzermeteoriet. Het zaagvlak werd gepolijst en licht geëtst, zodat de kristalstructuur beter zichtbaar werd, met het typerende ‘Widmannstätten patroon’ – dat door drukker Alois von Widmanstätten aan de hand van dit voorbeeld voor het eerst werd beschreven. De meteoriet had oorspronkelijk de vorm van een paardenhoofd en woog ca. 107 kg. Hij heeft een octahedrietstructuur, mat ca. 50x30x20 cm en bestaat hoofdzakelijk uit een nikkel-ijzer legering.

ijzermeteoriet

Natuurdruk van het gepolijste en licht geëtste zaagvlak van de Elbogen meteoriet [dubbelklik op de afbeeldingen voor een vergroting]

Het ging hierbij niet om zomaar een meteoriet, maar om die van Elbogen, beroemd omdat hij als een van de eerste geregistreerde vondsten geldt, en berucht vanwege zijn voorgeschiedenis. Rond 1400 AD moet hij neergekomen zijn in de buurt van Loket, het kasteel van de burggraaf van Elbogen, dat niet ver van Karlovy Var (Karlsbad) in Bohemen, Tsjechië ligt. De wrede burggraaf, waarschijnlijk Puta von Illburk (what’s in a name), werd vervloekt door een oude vrouw, door de bliksem getroffen en in een brok ijzer veranderd. In een andere versie van het verhaal gebeurde dat laatste pas na diens dood. De meteoriet werd voor de zekerheid in de boeien geslagen en vastgeketend inde kerker van het kasteel. Dit gebeurde omdat men bang was dat hij anders lichter zou worden en zelfs als hij in de put op de binnenhof werd gegooid toch weer zou verschijnen.

Tijdens de Dertigjarige oorlog (1618-1648) besloot de Duitse generaal graaf Johann von Werth eens te kijken of dat inderdaad zo was, en hij liet de steen in de put gooien. Daar bleef hij liggen tot de put in 1670 werd drooggelegd en men de steen eruit haalde en in het kasteel bracht. In 1742 gooiden de Fransen hem weer in de put, waar hij bleef liggen tot hij in 1776 werd herontdekt.

In 1811 werd een stukje ervan onderzocht en herkend als een meteoriet. Later werd hij in twee stukken gezaagd; het grootste deel van 79 kg ging naar het Natuurhistorisch Museum in Wenen, het kleinste (14 kg) bevindt zich in het stadhuis van Loket. Waar de overige 14 kg zijn gebleven vertelt het verhaal niet…

Leitha meteoriet

Natuurdruk met een tweede kleur uit Beyträge van een meteoriet uit het Leitha-gebergte (tussen Niederösterreich en Burgenland)

IX. Natuurdruk in de USA: Pastorius, Breintnall en Franklin

pastorius

M. Pexenfelder S.J., ‘Apparatus eruditionis’. In de marges van zijn exemplaar voegde Francis Pastorius natuurdrukken van bladeren en bloemen toe. [dubbelklik op de afbeeldingen voor een vergroting]

Vanuit Duitsland kwam de natuurdruk ook in de Verenigde Staten terecht. Waarschijnlijk was het Francis Daniel Pastorius, een Duitse advocaat, die de techniek in de VS introduceerde. Op verzoek van een groep Duitse emigranten stichtte hij in 1683 Germantown (bij Philadelphia) in Pennsylvania. Dit was de thuishaven van de eerste ‘Pennsylvania Dutch’. Pastorius was in 1688 de allereerste in de VS die een petitie schreef voor de afschaffing van de slavernij. Zelf maakte hij natuurdrukken in de marge van zijn eigen exemplaar van ‘Apparatus eruditionis’(1670). Dit was het Latijnse leerboek dat werd geschreven door Michael Pexenfelder S.J. in de vorm van een driedelige encyclopedie. Deze was bedoeld om studenten via de directe methode Latijn te leren. In de tekst van het hoofdstuk dat gaat over typografie voegde Pastorius onderaan in de marge een opmerking toe over de mogelijkheid om planten af te drukken. De rest van de marges van de twee opengeslagen pagina’s vulde hij met tweezijdige afdrukken van een negental planten en bloemen. In de resterende ruimte op de tweede pagina drukte hij nog vier bladeren af.

breintnall

Twee dubbele pagina’s uit een voorbeeldboek met natuurdruk van Joseph Breintnall.

Een jongere tijdgenoot van Pastorius, Joseph Breintnall, leerde waarschijnlijk door hem de natuurdruk kennen. Hij was de eerste secretaris van de Library Company of Philadelphia, die in 1731 door drukker, uitvinder en politicus Benjamin Franklin samen met anderen werd opgericht. Voor deze vereniging maakte Breintnall onder meer een aantal voorbeeldboeken (1731-42) met natuurdruk, bestemd voor botanici.

breintnall_rattlesnake_herb

Natuurdruk van een blad van Solidago canadensis in de Poor Richard’s Almanack van 1737

In 1737 schreef Breintnall een artikel over ‘Rattlesnake Herb’ voor Benjamin Franklin’s ‘Poor Richard’s Almanack’ (pag. 4-5) van 1737. Dit was een zeer succesvolle publicatie met een oplage van 10.000 exemplaren. Voor de afbeelding van een blad van deze plant maakte Franklin een cliché door een blad dat op een dun weefsel werd geplakt af te drukken in (waarschijnlijk) een gipsmengsel, waarvan eerst een contramal en vervolgens een afgietsel in lettermetaal werd gemaakt. Volgens de tekst betrof het ‘een soort guldenroede’; op de afbeelding afgaand is het Solidago canadensis, die lijkt op de Europese soort S. virgaurea, Echte guldenroede. Het is zeker niet Calathea crotalifera, zoals R. Cave in Impressions of Nature vermoedde.

Benjamin_Franklin_nature_printed_55_dollar_back_1779

Biljet van $ 55 uit 1779 van de staat Pennsylvania met natuurdruk van bladeren

De techniek die voor deze eerste natuurdruk in grote oplagen door Franklin werd ontwikkeld leidde ertoe dat hij in 1739 voor Pennsylvania de eerste bankbiljetten met bladafdrukken ding drukken: volgens hem een perfecte manier om vervalsingen te voorkomen. Deze druktechniek werd zeker tot in 1779 toegepast. Op de afbeelding is rechts een salieblad te zien, het blad links is niet zo gauw thuis te brengen. De afdruk van het onderliggende weefsel is duidelijk zichtbaar.