Tag Archief: hoek tussen wervelkolom en bekken

XI. Professorenstrijd in de bewegingsfysiologie

Mechanik der menschlichen Gehwerkzeuge. Eine anatomisch-physiologische Untersuchung van Wilhelm en Eduard Weber (Göttingen 1836) beschrijft onder meer een professorenruzie over aspecten van de bewegingsfysiologie, een wetenschap die destijds hele nieuwe wegen insloeg. Wilhelm was professor in Göttingen, Eduard prosector (anatoom) in Leipzig – hij was er al eerder professor in de fysica. Uit gezamenlijk anatomisch onderzoek probeerden zij nieuwe wetenschappelijke inzichten te verkrijgen over het menselijk bewegingsapparaat en de rol die de gewrichten daarin spelen. Bijzondere aandacht werd besteed aan de hoeken bij minimale en maximale strekking of draaiing tussen de beenderen die in een gewricht bij elkaar komen. Om dit aanschouwelijk te maken maakten de gebroeders Weber preparaten van gewrichten die in hun natuurlijke positie in gips werden gegoten en in de lengterichting doorgezaagd.

Vervolgens werden de preparaten gekopieerd met behulp van stereotypie. Dit was een techniek die in de negentiende eeuw door drukkers werd gebruikt om zetsel te bewaren om dat opnieuw te kunnen gieten en afdrukken. Het werd echter ook toegepast om allerlei mogelijke voorwerpen, van penningen tot meer dan levensgrote beelden, te kopiëren door er een afdruk van te maken in gips, die vervolgens in willekeurige aantallen in metaal kon worden gegoten. Later gebeurde dat met behulp van galvanoplastiek, een onderwerp dat volgende week behandeld wordt. In het boek van de Webers is een grote uitvouwplaat opgenomen waarop de gestereotypeerde gewrichten zijn afgedrukt. ‘Het zijn de meest natuurgetrouwe afbeeldingen die men hebben kan’, merken zij erover op, en dat is misschien wel de belangrijkste reden waarom natuurdruk in de 19de eeuw nog zo veel vaker zou worden gebruikt.

weber_gewrichten

De meest spectaculaire afbeelding is die waarin ‘wij de leer van de kromming van de wervelkolom, de kanteling van het bekken en de vorm van de tussenwervelschijven hebben proberen te verklaren’. Daartoe werd een volledige romp in gips gegoten, in de lengte middendoor gezaagd, gestereotypeerd en afgedrukt. Zo konden zij aantonen dat op een beroemde afbeelding die door collega Albin was gemaakt de hoek tussen de wervelkolom en het bekken niet minder dan 300 te klein was weergegeven. Dergelijke anatomische kennis vonden de Webers ook nuttig voor kunstenaars die het menselijk lichaam wilden afbeelden. Voor het leger zou deze kennis behulpzaam zijn bij de ‘Marschordnung der Truppen’. De theorie van de Webers wordt nog steeds gezien als de basis van de moderne bewegingsfysiologie.